Afasie – wat nu?

/

In het eerste deel van deze reeks over afasie bespraken we hoe de symptomen van verschillende vormen van communicatiestoornissen sterk overeen kunnen komen. In dit tweede deel zullen we bespreken op welke manier spraak- en communicatiestoornissen worden gediagnosticeerd door clinici en welke factoren het herstel van patiënten kunnen beïnvloeden. De focus ligt hierbij op patiënten die met neurologische schade (zoals een beroerte) zijn opgenomen in het ziekenhuis. De taalstoornis is in deze gevallen een bijwerking van de eigenlijke medische diagnose en niet de hoofdreden om naar een neuroloog te gaan. In dit soort situaties kunnen de taalproblemen van een patiënt helaas makkelijk over het hoofd worden gezien.

Idealiter zou de diagnose van een communicatiestoornis door speciaal opgeleide logopedisten worden gesteld, maar deze zijn helaas niet altijd beschikbaar op de afdeling waar de patiënt zich bevindt. In het geval van een beroerte zou de patiënt bijvoorbeeld op de afdeling neurologie liggen, waar veel verschillende medische problemen met betrekking tot de hersenen of het zenuwstelsel worden behandeld. Behalve dat neurologen en neurochirurgen het meestal behoorlijk druk hebben, zijn veel van hen niet specifiek opgeleid om communicatie- en taalstoornissen te diagnosticeren. Wanneer een patiënt knikt als antwoord op een vraag, wordt dit bijvoorbeeld vaak geïnterpreteerd als succesvol begrip. Ook worden patiënten soms niet verder onderzocht op taalstoornissen als ze logisch klinkende zinnen produceren. Dit is problematisch, aangezien sommige patiënten met taalstoornissen zeer vloeiende en typisch klinkende spraak kunnen hebben, terwijl hun begrip sterk verminderd is.

Op dit moment zijn er verschillende bedside tests beschikbaar om patiënten meteen aan het ziekenhuisbed op afasie te screenen, nadat ze zijn behandeld voor hun eerste diagnose (bijvoorbeeld een beroerte). Deze tests zijn, in theorie, ontworpen om een snelle en sluitende diagnose van taalstoornissen te stellen. Ondanks deze tests gebeurt het soms toch dat patiënten naar huis worden gestuurd zonder de diagnose communicatiestoornis, terwijl ze in werkelijkheid aan een vorm van afasie lijden. Daar zijn twee redenen voor. Ten eerste zijn clinici niet altijd goed opgeleid om dergelijke tests uit te voeren of correct te interpreteren. Ten tweede zijn niet alle beschikbare testbatterijen even geschikt om de verschillende soorten communicatiestoornissen te diagnosticeren, omdat ze verschillen in focus en gevoeligheid. Een test kan bijvoorbeeld zijn ontworpen om enkel heel specifieke vormen van afasie op te sporen, of juist zeer ernstige beperkingen, waardoor de test geen mildere versies van afasie zal ontdekken. Mensen ontwerpen daarom wel eens een eigen, aangepaste, versie van zo’n test, of ze vertalen een bestaande test naar een andere taal. Dit is niet altijd een goed idee, omdat talen veel van elkaar verschillen. Als bij het vertalen van de tests geen rekening wordt gehouden met deze verschillen, kunnen de resultaten onbetrouwbaar zijn. Om de taalproblemen van een patiënt op de juiste manier te diagnosticeren, moeten we dus streven naar het beter opleiden van clinici en meer gespecialiseerde en taal-specifieke diagnostische tests ontwikkelen.

Wanneer een communicatiestoornis correct is gediagnosticeerd, kan de patiënt met een behandeltraject beginnen en daarmee zijn beperkingen overwinnen of op zijn minst verminderen. Een belangrijke vraag hierbij is hoeveel patiënten over het algemeen verbeteren en wat het uiteindelijke resultaat na de behandeling zal zijn. Dit is een lastig onderwerp, maar is waarschijnlijk wel het belangrijkste aspect voor patiënten en hun families. Het is uiteraard erg belangrijk dat patiënten de juiste diagnose krijgen, zodat ze een behandeling op maat kunnen krijgen, die is toegespitst op hun kunnen en behoeften. Maar we hebben ook het geluk dat onze hersenen flexibel zijn en zich kunnen aanpassen aan de schade die een beroerte of ander hoofdtrauma heeft veroorzaakt. Grofweg betekent dit dat zodra een gebied in de hersenen is beschadigd, de taken die normaal door dit gebied werden uitgevoerd worden omgeleid naar een ander gebied. Je zou dus kunnen zeggen dat de hersenen zichzelf reorganiseren. Dit fenomeen wordt ook wel neuroplasticiteit genoemd en is vooral interessant bij beroertes. Vergeleken met bijvoorbeeld een hersentumor, waarbij de hersenen zich geleidelijk kunnen aanpassen naarmate de tumor groeit, vormt een beroerte een zeer plotselinge vorm van hersenbeschadiging. Meestal ervaren patiënten daarom de meest ernstige beperkingen direct na een beroerte. Omdat de schade zo onverwachts gebeurt, is er nog geen alternatieve organisatie om de taken over te nemen die normaal gesproken door het nu beschadigde gebied werden uitgevoerd. Na een beroerte beginnen de hersenen zich echter direct te reorganiseren en treedt neuroplasticiteit op. Om deze reden ervaren patiënten vaak de grootste verbeteringen in de eerste paar dagen na een beroerte. Hoeveel verbetering optreedt hangt af van de locatie en mate van de beschadiging. Het is fascinerend dat de hersenen, in tegenstelling tot veel andere organen, zichzelf kunnen reorganiseren om de toegebrachte schade te overwinnen.

Op dit moment is het nog onduidelijk hoe neuroplasticiteit precies werkt en welk type reorganisatie het beste herstel oplevert. De hersenen kunnen bijvoorbeeld de taken van beschadigde gebieden omleiden naar de omliggende hersengebieden, of naar dezelfde hersengebieden in de andere, onbeschadigde, hersenhelft. Sommige onderzoekers denken dat delen van de onbeschadigde hersenhelft het eerst taken overnemen, om de beschadigde hersenhelft tijd te geven om te herstellen. Bij succesvol herstel van de gebieden rondom het beschadigde gebied kunnen de hersenen de reorganisatie dan terugdraaien en de taken weer in de gebieden in de beschadigde hersenhelft uitvoeren. Dit idee wordt echter betwist, en meer onderzoek is dus nodig. Wanneer we het antwoord op deze vraag zeker weten, kunnen we deze kennis toepassen in de therapie die patiënten ontvangen en daarmee het uiteindelijke resultaat aanzienlijk verbeteren.

Al met al hangt de mate waarin een patiënt herstelt van de communicatieproblemen veroorzaakt door een beroerte -naast een vroege diagnose en behandeling- dus af van de grootte en locatie van de hersenbeschadiging, de ernst van de stoornis en de individuele plasticiteit van de hersenen. De plasticiteit van de hersenen neemt over het algemeen af naarmate mensen ouder worden: meestal geldt dat hoe jonger een patiënt is, des te beter de hersenen zich kunnen aanpassen aan de schade. Om de uitkomst voor patiënten te optimaliseren en maximaal herstel van hersenschade te bereiken is er nog ruimte voor verbetering in zowel diagnose als behandeling; daar is meer onderzoek voor nodig. Maar het blijft verwonderlijk hoe de hersenen, met de juiste therapie en behandeling, zich kunnen reorganiseren en zich daarmee aanpassen aan zo’n verwoestend fysiek trauma.

Lees deel 1 van dit blog hier.

 

Schrijver: Natascha Roos
Redacteuren: Sophie Slaats, Sara Mazzini
Nederlandse vertaling: Ava Creemers
Duitse vertaling: Fenja Schlag
Eindredactie: Eva Poort, Merel Wolf

FacebookTwitterEmailLinkedInWhatsApp