Wat ik tijdens de COVID-19-lockdown geleerd heb over taalontwikkeling: Het is moeilijk om klanken goed te krijgen

/

De eerste lockdown in Nederland gaf mij de kans om een uitstapje in mijn onderzoek te maken. In plaats van volwassen proefpersonen te testen in het lab maakte ik nu dagelijks een wandeling waarbij ik meer leerde over hoe kinderen – om precies te zijn, mijn toen twintig maanden oude dochter – taal leren.

Naast leren wat woorden betekenen (zie hier) moeten peuters ook leren hoe ze die woorden moeten uitspreken. Om te kunnen praten heb je coördinatie nodig tussen allerlei kleine spiertjes in je mond en je tong, dus dat is geen eenvoudige taak! Kinderen beginnen al vroeg met het ‘trainen’ van die spiertjes: eerst door geluidjes te maken zoals ‘ooh’ en ‘aah’ (ook wel “cooing” genoemd), en daarna door langzaamaan, rond zes tot acht maanden, te beginnen met brabbelen.

Terwijl mijn dochter aan het leren was dat echte bussen en speelgoedbussen allebei ‘bus’ genoemd kunnen worden, bleef de uitspraak van dat woord moeilijk voor haar. Ze zei ‘bah’ in plaats van ‘bus’, maar ze zei ook ‘bah’ als ze ‘boot’ bedoelde. Het frustreerde haar dan ook als ik tijdens onze wandeling niet meteen begreep welke van de twee ze bedoelde.

Net als volwassenen die een tweede of derde taal leren, kunnen kinderen woorden vaak pas produceren nadat ze ze hebben leren begrijpen. Een belangrijke strategie voor het leren uitspreken, gebruikt door zowel volwassen tweedetaalleerders als kleine kinderen, is imitatie. Oefening baart kunst, en het trainen van de mond- en tongspieren door imitatie is een goede oefening voor moeilijke klanken. Als mijn dochter ‘bah’ zei, zei ik daarom het juiste woord terug – bus of boot – en herhaalde ze dat net zo lang tot het eindelijk lukte om ‘bus’ en ‘boot’ goed uit te spreken.

Net als andere peuters lijkt ook mijn dochter een soort ‘goed genoeg’-aanpak te hanteren bij het produceren van nieuwe woorden. Zelfs nu ze 2,5 jaar oud is, laat ze vaak hele lettergrepen weg. Het is me opgevallen dat het de onbeklemtoonde lettergrepen zijn die ze weglaat; lettergrepen met een klemtoon blijven. Zolang je de beklemtoonde lettergrepen uitspreekt, is het meestal wel duidelijk wat je bedoelt, in tegenstelling tot wanneer je alleen onbeklemtoonde lettergrepen uitspreekt. Denk bijvoorbeeld aan ‘taar’ of ‘naan’ – het is makkelijker om te begrijpen dat dit ‘gitaar’ en ‘banaan’ moet zijn dan wanneer je alleen ‘gi’ of ‘ba’ zou horen (de onbeklemtoonde lettergrepen). Hierdoor kunnen we peuters doorgaans begrijpen, of ze nu volledige of onvolledige woorden uitspreken. Zo’n versimpeling van taalklanken is normaal, en de versimpelde klanken maken geleidelijk plaats voor complexere klanken rond de vier jaar. Om kinderen aan te moedigen volledige woorden uit te spreken en te leren, kan het helpen om het correcte of complete woord tegen ze te herhalen. Zo worden ze gemotiveerd om het nog eens te proberen.

Een taal leren is zeker geen kleinigheid, en sommige kinderen moeten zelfs twee talen tegelijkertijd leren. Mijn dochter groeit ook tweetalig op: ze leert zowel Duits als Nederlands. Net als veel andere ouders van tweetalige kinderen vraag ik me vaak af of dit de taalontwikkeling moeilijker maakt. Hoe ziet de tweetalige taalontwikkeling eruit? Daarover volgende keer meer…

 

Afbeeldingen
– Header: eigen productie

 

Schrijver: Julia Misersky
Redactie: Julia Egger
Nederlandse vertaling: Elly Koutamanis
Duitse vertaling: Julia Misersky
Eindredactie: Merel Wolf

FacebookTwitterEmailLinkedInWhatsApp