Tweetaligheid heeft geen invloed op hoeveel je gebaart: een interview met Dr. Zeynep Azar

/

Dr. Zeynep Azar was een PhD-student aan de Radboud Universiteit. Ze verdedigde haar dissertatie ‘Effect of Language contact on speech and gesture: The case of Turkish-Dutch bilinguals’ op 8 september 2020.

1. Wat was de hoofdvraag van je onderzoek?
Vanwege de toegenomen globalisatie en immigratie zien we steeds vaker dat er binnen één land veel mensen zijn met verschillende talige en culturele achtergronden. Dit betekent dat mensen dagelijks in contact komen met mensen die een andere taal spreken, bijvoorbeeld Spaans en Engels in de Verenigde Staten, en Turks en Nederlands in Nederland. Het is geen uitzondering om tweetalig op te groeien als het resultaat van zulke talige contacten. Dit roept de vraag op: Hoe beïnvloedt taalcontact de taal en communicatie van tweetaligen? Dat was de hoofdvraag van mijn dissertatie. Daarnaast weten we dat iedereen gebaren gebruikt en dat er verschillen tussen culturen zijn in hoe vaak en op welke manieren mensen gebaren. Ondanks dat gebaren onderdeel zijn van de communicatie, wisten we niet, tot ik hier aan werkte, hoe mensen gebaren wanneer talen met elkaar in contact komen. Daarom heb ik ook de gebaren van tweetaligen bestudeerd.

Zeynep Azar
2. Kun je de (theoretische) achtergrond in wat meer detail uitleggen?
We weten van eerder onderzoek dat als talen met elkaar in contact komen, er een aantal veranderingen plaatsvinden in hoe sprekers communiceren. Zo worden bijvoorbeeld in het Spaans voornaamwoorden (zoals yo ‘ik’ en ella ‘zij’) niet altijd gebruikt; alleen als de spreker het onderwerp van de zin wil benadrukken. Echter, in het Engels moeten voornaamwoorden in elke zin gebruikt worden. We weten van eerder onderzoek dat Spaans-Engelse tweetaligen in de VS steeds vaker voornaamwoorden gebruiken in het Spaans dan mensen die alleen Spaans spreken en geen andere taal (zogeheten eentaligen). Dit komt doordat het Engels hun Spaans beïnvloedt. Aangezien Turks vergelijkbaar is met Spaans in het gebruik van voornaamwoorden, en Nederlands vergelijkbaar is met Engels, heb ik onderzocht of deze verschillen in gebruik van voornaamwoorden ook naar voren zouden komen in Turks-Nederlandse tweetaligen.

Ik heb me geconcentreerd op hoe sprekers in de derde persoon praten over personages in een verhaal. En dan specifiek hoe ze voornaamwoorden gebruiken als ze verwijzen naar deze personages. Nederlandstaligen gebruiken volledige zinnen voor een eerste introductie, maar gebruiken direct daarna voornaamwoorden als ze naar de dezelfde persoon willen verwijzen (Roos wil TV kijken. Ze doet de TV aan.) Echter, Turkssprekenden gebruiken normaalgesproken geen voornaamwoorden, aangezien de luisteraar meestal begrijpt wie er bedoeld wordt aan de hand van het werkwoord (Roos televizyon izlemek istiyor. Televizyonu aciyor [Roos wil TV kijken. Doet de TV aan]).

Als het gaat om gebaren, wisten we niet of er verschil zou zijn in de manier van gebaren tussen Turkse en Nederlandse mensen, maar aangezien mediterrane culturen normaalgesproken meer gebaren, dachten we dat Turkse sprekers meer zouden gebaren dan Nederlandse sprekers. En dat is wat ik ook heb gevonden in mijn studie.

3. Waarom is het belangrijk om een antwoord op deze vraag te vinden?
Het is belangrijk om te begrijpen of en hoe een taal veranderingen ondergaat wanneer sprekers in contact komen met een andere taal. Dit helpt ons om te begrijpen hoe talen veranderen als een resultaat van taalcontact. Deze bevindingen kunnen ook nuttig zijn bij het ontwerpen van beleid en werkwijzen om ervoor te zorgen dat tweetalige sprekers de mogelijkheid hebben om hun moedertaal (in dit geval Turks) te horen en te blijven gebruiken, en om taalverlies na verloop van tijd te beperken.

4. Kun je één specifiek project omschrijven?
De hoofdstukken in mijn dissertatie zijn allemaal gebaseerd op één groot project, waarbij de aandacht ligt op verschillende aspecten van het project.

5. Wat is het belangrijkste of interessantste resultaat van je promotieonderzoek?
In hoofdstuk 4 “Language Contact Does Not Drive Gesture Transfer“, heb ik me afgevraagd wat er gebeurt met gebaren wanneer twee talen die verschillen in de mate waarin gebaren gebruikt worden met elkaar in contact komen. Om deze vraag te beantwoorden, heb ik eerst onderzocht of het inderdaad zo is dat Turkse (eentalige) mensen meer gebaren dan Nederlandse (eentalige) mensen. In het algemeen gebaarden de Turkse sprekers inderdaad meer dan de Nederlandse sprekers. Daarna heb ik de gebaren onderzocht van Turks-Nederlandse tweetaligen wanneer ze Turks spraken en wanneer ze Nederlands spraken. Hoewel de tweetaligen opgroeien in een omgeving waar ze te maken hebben met twee verschillende communicatiesystemen (Turks en Nederlands), vond ik dat ze gebaarden als eentalige in beide talen. De tweetaligen gebaarden evenveel als eentaligen in Turkije als ze Turks spraken. En wanneer de tweetaligen Nederlands spraken, gebaarden ze minder dan wanneer ze Turks praatten, en evenveel als eentalige Nederlandstalige sprekers in Nederland.

6. Wat zijn de gevolgen of implicaties van dit resultaat? Hoe zal dit de wetenschap of de maatschappij verder brengen?
Hoewel de mate van gebaren verschilt tussen Turkse en Nederlandse mensen, heb ik niet gevonden dat het contact tussen deze twee talen een verandering bracht in hoe vaak de tweetaligen gebaarden in elke taal. De tweetaligen gebaarden in elke taal evenveel als eentalige Turkse en Nederlandse sprekers. Dus ondanks het contact tussen de twee talen, worden de talige en culturele gebaarpatronen van tweetaligen niet beïnvloed door dit contact. Deze resultaten laten zien dat, in tegenstelling tot wat er vaak wordt aangenomen, het mogelijk is voor sprekers met een migratieachtergrond om zich volledig aan te passen aan de nieuwe taal van het land waarin ze wonen, in zowel hun gesproken taal als hun gebaren. Hierbij gaan de specifieke patronen van hun moedertaal niet verloren.

De resultaten van mijn onderzoek betekenen dat als tweetaligen met een migratieachtergrond genoeg mogelijkheden hebben om te oefenen, ze erg bekwaam kunnen worden in elke taal waar ze mee opgroeien. Bekwaamheid in de ondergeschikte taal (in dit geval Turks) gaat niet ten koste van de hoofdtaal (in dit geval Nederlands). Dit heeft bijvoorbeeld implicaties voor onderwijsbeleid van minderheidstalen.

Het is belangrijk om te vermelden dat het erg waarschijnlijk is dat de tweetaligen die ik heb bestudeerd geen verschillen toonden in hun spraak en gebaren, omdat ze beide talen op een dagelijkse basis gebruiken. Daarnaast is het in de Turkse gemeenschap in Nederland erg belangrijk om de taal te behouden, en de mensen hier hebben nog sterke banden met Turkije. Dit betekent dat er bij toekomstige studies naar tweetaligheid rekening gehouden moet worden met hoe vaak de tweetaligen elke taal gebruiken.

7. Wat wil je hierna doen?
Op dit moment werk ik als docent aan de Hogeschool Rotterdam. Ik zal doorgaan met lesgeven, omdat dat al van jongs af aan mijn passie is (ik heb een Bachelor behaald op het gebied van vreemdetalenonderwijs). Naast lesgeven, ben ik aan het kijken naar mogelijkheden om binnen het onderzoekscentrum van deze hogeschool praktisch onderzoek te doen naar taalonderwijs. Daarbij zou ik me kunnen richten op de problemen die zich voordoen in de werkwijzen van taalonderwijs, en ik zou een bijdrage kunnen leveren aan nieuwe inzichten en verbeteringen in deze werkwijzen.

 

Lees verder
Link naar dissertatie

 

Interviewer: Merel Wolf
Editor: Julia Egger
Nederlandse vertaling: Annelies van Wijngaarden
Duitse vertaling: Natascha Roos
Eindredactie: Merel Wolf

FacebookTwitterEmailLinkedInWhatsApp